Stadslandbouw – iedereen boer

Minimaal 50% van een woonkavel moet met stadslandbouw worden ingericht. Oosterwold wordt daardoor een lappendeken van groene initiatieven met een verscheidenheid aan landschappelijke agrarische vormen, klein en groot. Elke initiatiefnemer in Oosterwold is hierdoor in mindere of meerdere mate boer. Stadslandbouw betekent in de kern het telen en oogsten van voedsel en het afzetten in of in de nabijheid van de productieomgeving. De begrippenlijst van het nieuwe bestemmingsplan stelt onder artikel 1.60 bovendien ‘Onder stadslandbouw valt ook veeteelt en de kweek van vissen voor consumptie. Leidend is dat er een agrarisch product uit voort komt en dat er sprake is van korte voedselketens. Het kan daarbij zowel gaan over voedselproductie die professioneel of voor zelfvoorzienend gebruik wordt beoefend. Stadslandbouw levert een bijdrage aan de voedselopgave van de regio. Stadslandbouw heeft in Oosterwold ook zorg, recreatieve (leisure), educatieve, landschappelijke en economische (werkgelegenheid, zelfstandige ondernemingen) dimensies. Het verschil tussen stadslandbouw en reguliere landbouw zit niet zo zeer in schaal, vorm en intensiteit van de voedselproductie, maar in het zoeken en aangaan van verbindingen met kernen, het realiseren van korte ketens in de voedselproductie en het realiseren van zo min mogelijk vervoersbewegingen’. Even doordenken, voor Oosterwold betekent stadslandbouw gewoonweg met minimaal 50% invulling een belangrijke groene economische drager.

Urban farming is wereldwijd een weg-met-de-tussenhandel-economie aan het worden. Zoals in vroeger jaren toen producten in en om dorpen en steden werden geproduceerd en geconsumeerd. Soms in een vorm van bartering, van ruilhandel zonder geld. Ik heb dit voor jou en ruil het voor dat van jou voor mij. Deze dichtbij-economie heeft vooral na de Tweede Wereldoorlog plaatsgemaakt voor intensieve productenvormen op afstand en veelal met lange niet milieuvriendelijke transportlijnen. Wat rondom steden overbleef zijn gezellige hobbyachtige volkstuintjes langs spoorlijnen en op stukjes grond waarmee gemeenten niets konden. De laatste tien jaar is er sprake van een revival. Mensen worden zich bewuster van kwaliteit in plaats van kwantiteit. Willen weten waar voedsel vandaan komt, wie de afzender is en kijken nauwlettend naar de kleine lettertjes op de verpakking. Eco-supermarkten hier op in, scheppen vertrouwen met een biologisch assortiment en informatie over de producenten. Tegelijk groeit de hang naar zelfdoen, naar een eigen moestuin op balkon of dak in de binnenstad. Hierop speelt Albert Heijn met zijn moestuinenacties weer in. Zelf kruiden telen uit een klein bakje met wat aarde met een zaadje, kinderen vinden het prachtig. De wording van voedsel krijgt zo een gezicht. Oosterwold is daar een verlengde van. Met moestuinen, fruitbomen, kruidentuinen, plantages, eetbare bloemen, vissen, druiven voor wijn, hop voor bier, kippen en ander kleinvee. En wat je over hebt ruil of deel je met buren, vrienden of familie, of verkoop je aan huis of coöperatief, of schenk je aan de voedselbank. Gaat Albert Heijn dit straks in zijn omzet merken? En hoe gaat de gemeente de stadslandbouw handhaven?